Opstand [1]

The spam filter installed on this site is currently unavailable. Per site policy, we are unable to accept new submissions until that problem is resolved. Please try resubmitting the form in a couple of minutes.

Het lijkt zo’n vreedzaam volkje, Bosschenaren. Toegeeflijk en tevreden, mits ze hun recht op rituele klaagzangen mogen behouden. Al eeuwen zijn de opeenvolgende stadsbesturen zo slim om die verworvenheid niet in te perken. Dat werkt wonderwel. Het volk mort keurig en op afroep waarna alles doodslaat: zowel het protest als het bier in het glas van de verzoening. Want woede houdt hier nooit lang stand. De grond ontbreekt ervoor. Den Bosch is vooral de stad die van haar eigen voortreffelijkheid overtuigd is. Zelfgenoegzaamheid, vastgeklonken in een driehoek van verdedigingswerken.

Den Bosch lijkt de landelijke Maand van de Geschiedenis dan ook een keer over te kunnen slaan. Het thema is ‘Opstand’. Lastig, want verzet komt altijd voort uit diepe ontevredenheid en leeuwenmoed. Beide zijn niet uitgesproken Bosch. In deze stad gaat verzetten meer over afspraken uitstellen – mañana, mañana – en dranghekken verschuiven dan over weerstand bieden aan machtsmisbruik en onrecht.

Maar schijn bedriegt. Want Den Bosch, waar zelfs ruzie bij voorkeur gezellig hoort te zijn, heeft regelmatig oproer, verzet en barricades gekend. Tijd voor een verkenning. Wapperende vlag bij de hand? Gaan we.

Op 18 maart 1477 bestormen Bosschenaren de raadszaal, waar ze drieënveertig stadsbestuurders in de boeien slaan. Aanleiding zijn de torenhoge belastingheffingen. Negen weken lang zijn ambachtslieden de baas in de stad. Als ze zoetjesaan gaan inzien dat de opstand hun de kop kan kosten, vragen ze Maria van Bourgondië om gratie. De kersverse hertogin strijkt de hand over haar negentienjarige hart.

Maar armoede heeft een geheugen. Het vergeet niet snel, ontdekt Karel de Vijfde. In 1525 verlangt hij een godsvermogen van de stad om zijn oorlogsschuld aan de Engelse koning te kunnen betalen. Uitzuigerij, vindt het Bossche volk. Tijdens het Gildenoproer grijpen werklieden de macht. De accijnzen op rogge en bier schaffen ze vrolijk af. Bovendien plunderen ze drie van de twintig kloosters in Den Bosch en ommelanden, omdat de broeders en nonnen geen cent willen bijdragen.

Oproerkraaiers, oordeelt landvoogdes Margaretha van Oostenrijk. Namens Karel de Vijfde zal ze dat spaarvarkentje wel even wassen. Met hulp van een troepenmacht dwingt ze de stad tot overgave. Den Bosch krijgt een boete van twaalfduizend rijnsgulden. Maar de ergste straf is symbolisch. De opstandigen moeten een offer brengen dat botst met Bossche trots: knielen.

Een halve eeuw later slaan groepen katholieke en protestantse Bosschenaren elkaar op de Markt het schedeldak in. Het is 1 juli 1579. Winnaars zijn de katholieken, die sneller dan hun schaduw schietgebedjes kunnen bidden. Maar de stad is in rouw. De tol van het zogeheten Schermersoproer: tweeënveertig doden en honderdtwintig gewonden. Het zou niet het laatste bloed zijn dat in Den Bosch nodeloos werd vergoten.

____________________

Publicatie in Brabants Dagblad: 10 oktober 2018 | deel 2 verschijnt op woensdag 7 november

Reacties

Nieuwe reactie inzenden

Uw e-mailadres zal niet openbaar worden gemaakt.